1969: Wedergeboorte van de Limburgsche Kunstkring in Slenaken

Categorie: Historie

Geschreven door:
Gepubliceerd op:
Kunstenaar(s):

Na ruim 20 jaar stilte…..

In 1941 was de Limburgsche Kunstkring gedwongen geweest om zichzelf op te heffen, onder druk van de Duitse bezetter die aansluiting eiste bij de Kultuurkamer. Een aansluiting die de leden (zoals zovele kunstenaars) geweigerd hadden. In 1947 lezen we een berichtje dat de Limburgsche Kunstkring op eigen verzoek door de rechter met terugwerkende kracht tot de datum van opheffing in ere is hersteld. De Kunstkring is daarmee juridisch gezien nooit opgeheven geweest, maar erg stil werd het na de oorlog wél gedurende vele jaren. Pas in 1968 is er weer een bericht terug te vinden waarin de Limburgsche Kunstkring genoemd wordt: zij organiseert dan een tentoonstelling voor de landelijke Federatie van Amateur Beeldende Kunstenaarsverenigingen FABK in de Dominicanenkerk in Maastricht. Als voorzitter wordt genoemd Pierre Bollen.
Hoe de status van de Limburgsche Kunstkring op dat moment is blijkt misschien het beste uit enkele berichten die verschenen in de jaren daarna: in 1969 (t.g.v. de eerste naoorlogse tentoonstelling) en 1974 vinden wij recensies terug in het Limburgs Dagblad van de hand van schrijver-dichter Paul Haimon die weinig aan duidelijkheid te wensen overlaten. Een leuk detail daarbij is overigens dat diezelfde Paul Haimon als jonge dichter al in 1936 en 1937 door de Limburgse Kunstkring uitgenodigd was om deel te nemen aan literaire avonden.

Onderdak in Slenaken

Het blijkt dat de Limburgsche Kunstkring in die jaren (in ieder geval t/m 1978, maar we vonden ook nog een expositie terug uit 1987) een min of meer vast onderdak had gevonden voor een jaarlijkse groepstentoonstelling in het gemeentehuis van Slenaken, een pittoresk dorpje met minder dan 1000 inwoners, verstopt in het Limburgse Heuvelland (de zelfstandige gemeente Slenaken viel in 1982 ten prooi aan gemeentelijke herindeling en is nu onderdeel van de gemeente Gulpen-Wittem). Een uitgebreide recensie in het Limburgs Dagblad van 12 augustus 1969 spreekt van ‘het eerste officiële optreden van de Limburgsche Kunstkring in onze provincie’. Het feit dat de jaarlijkse groepstentoonstellingen een aantal jaren achtereen plaatsvonden gedurende de zomermaanden in een klein dorpje waar voornamelijk de toeristen tot de bezoekers zullen hebben behoord, zegt ook wel iets over de status.

1969 ‘het eerste officiële optreden van de Limburgsche Kunstkring’.
Mila Wiertz-Getz uit Aken van de parallelle expositie in ‘An der Trap’
was overigens geen geheel onbekende kunstenares.
Zij is niet dezelfde ‘mevr. Wiertz’ die in de recensie uit 1974 genoemd
wordt als lid van de LK.

1973
1977


Enkele citaten uit de recensies willen we de lezer niet onthouden (waarbij wij, uit medeleven met de wellicht nog levende betrokkenen, enkele namen toch maar vervangen hebben door XXXX….)

…..al is er een voorkeur merkbaar voor exposities met begrijpelijke aansprekende stukken.
De leden van de Limburgse Kunstkring in nieuwe vorm maken het wat dat betreft de bezoekers niet moeilijk.
Men heeft nu niet meer te maken met een semi-beroepsvereniging, wat de oorspronkelijke L.K. tot het verscheiden van Jan Hul, die er permanent secretaris van was en er een bescheiden jaarlijkse bezoldiging door genoot van zijn oprichting af is geweest. De leden behoren nu tot de beoefenaars der beeldende kunsten in hun vrije tijd. Een zekere graad van métierbeheersing schijnt wel te worden gevraagd. In het werk van mevr. XXXXXXX is dat nog erg betrekkelijk. Haar Bloemen en Schepen zijn met vriendelijk werk al behoorlijk geëerd.
XXXXXX uit XXXX brengt een stukje eigen antropologie in beeld. Hij geeft een formule vrouw, dat zijn cirkels om een ronding als kernpunt heeft gebracht. Alsof hij wil zeggen: het wezen van de vrouw is rond. Dan kan het niet uitblijven dat de formule man een vierkant brengt. Dat vierkant is getrokken over een rode fond die de passie, de hartstocht, de grote zinnendrift moet symboliseren. In een derde doek worden de formules bijeen gebracht. Dat doek heet, u raadt het ‘formule man en vrouw’ men hoeft dan niet meer te gissen waar het vrouwtje en waar de man achter steekt. Als die doeken er waren geweest zonder deze aanduidingen, zou men er gewoon schilderijen met nog enkele aardige partijen (in het grijs) in gezien hebben. Nu maakt men zich echter vrolijk over een symboliek die naïef-amateuristisch aandoet.

(…) zijn grote doek Miranda aan de Ebro, dat qua coloriet echter wordt overtroffen door zijn stilleven met vissen (al zijn die vissen er niet helemaal uitgekomen.)

In de eveneens uitgebreide recensie van 10 juli 1974 is Haimon gemiddeld iets vriendelijker en heeft hij zeker een goed woord voor enkele kunstenaars, met name voor het viertal dat volgens het bericht het bestuur schijnt te vormen: Pierre Bollen (voorzitter) en J. van Deursen uit Maastricht, P. Blok uit Bunde, en J. Brons uit Welten. Jan van Deursen was gevestigd professioneel kunstenaar

(…..) P. Blok uit Bunde en J. Brons uit Welten. En bij hen sluiten in zekere zin Pierre Bollen en J. van Deursen uit Maastricht aan, ze vormen samen ’n kwartet dat als het ware het gezicht geeft aan de exposities van de Limburgsche Kunstkring. Niet dat er door hen, ook al vormen zij het bestuur, een richting door hen wordt bepaald, maar in hun werk wordt men speciaal getroffen door eenzelfde geest van cultuur, een geesteshouding die zich op ’n subtiele wijze in hun werk manifesteert.

De nadruk blijft echter toch heel duidelijk liggen op het amateurkarakter van de Limburgsche Kunstkring. Niet minder dan 83 werkstukken werden door de leden van de Limburgsche Kunstkring dit jaar in het gemeentehuis van Slenaken bijeengebracht.

Het is alreeds een traditie dat de Limburgsche Kunstkring, vroeger een kring van voornamelijk beroepskunstenaars, nu een club van alleen maar liefhebbers in het vak, hun jaarlijkse expositie in het idyllische Slenaken houdt. Een verklaring voor het feit dat Slenaken hiervoor uitgekozen werd, kan worden gezocht in de aard van het werk der leden van de kring waarvan de heer P. Bollen uit Maastricht de voorzitter is.

(…) Anders is het met volksaard’ig werk als dat van XXXXXXXX uit XXXXXXX, die beeldjes boetseert naar motieven die men voornamelijk bij bazaargoed aantreft. De dingen zijn wel met liefde gedaan, maar waarom dit namaken van wat toch eigenlijk kitsch is? Raadpleegt zij niet eens haar medeleden in de kring om te weten of ze met deze dingen wel op de juiste weg is?

(…) hij biedt volkskunst van de juiste soort; „meisje in blok” mag wat houterig van fysionomie zijn, in een beeldje als „de straatveger”, uit een stuk gesneden, proeft men iets van de middeleeuwse houtsnijkunst die de stoot heeft gegeven aan een reeks van nu nog bewonderde retabels.

Ook in De Limburger verscheen over de eerste tentoonstelling in 1969 een vriendelijke recensie van Lou Maas:

(…..) Na veel vijven en zessen is men er verleden jaar in geslaagd deze kunstkring nieuw leven in te blazen. (………) En zo kon onlangs in het gemeentehuis van Slenaken een tentoonstelling geopend worden met werk van zeven leden van de Limburgse Kunstkring. Een tentoonstelling overigens die in twee dele gerealiseerd wordt. Terwijl op het moment de eerste helft van het geselecteerde werk van de exposanten te bezichtigen is, zal dit in augustus vervangen worden door een andere selectie uit het werk van deze zeven kunstenaars.
Wanneer men deze kunstenaars schaart onder de titel ‘amateurs’, zal niemand daar bezwaar tegen maken. Foutief zou het zijn om er een kleinerende betekenis aan te geven.
Steeds meer wordt ook in culturele kringen het amateur-schilderen gezien als een belangrijke culturele activiteit en benadrukt men dat het verschil tussen een amateur en een beroepskunstenaar slechts gradueel is en niet wezenlijk. Het onderscheid in vormtaal is al evenmin wezenlijk, zelfs wanneer de ‘amateur’ zich niet zo snel zal laten verleiden tot experimenten in de hedendaagse zin van het woord. (…..) Zij werken namelijk niet zo zeer om een nieuw artistiek elan te vinden, maar veeleer voor hun eigen plezier en eventueel voor het zichtbaar maken van hun wereld- of levensvisie. En naar wij vernemen is de belangstelling voor deze expositie in Slenaken meer dan bevredigend.
Het gemeentehuis in de jaren ’60



Uit de krantenberichten valt op te maken dat Pierre Bollen, aquarellist uit Maastricht, tenminste van 1968 t/m 1974 voorzitter was van de Limburgsche Kunstkring. Leden die verder nog met name genoemd worden zijn:
J. van Deursen, Maastricht, (Jan, 1896-1981, opleiding aan de Rijksacademie Amsterdam)
P. Blok, Bunde, (Piet, 1917?, schilder, tekenaar, aquarellist, opgeleid in de Hollandse school)
J. Brons, Welten, (Joop? 1912?)
Sondagh, Heerlen (Hermanus W.? 1903-1981?)
(Herman?) Windemüller, Vaals
J. Meertens
Jos Jaspers (Joseph, 1927, PTT-beambte Maastricht, zie Artindex)
Mevr. Wiertz
J. A. van (de) Beek, Vlodrop
Brunia, Brunssum (Anton Brunia 1900- was beeldhouwer, met vooral brons, in 1949-1950 was ene Brunia directeur van de Ambachtschool in Brunssum)
Mevr. P. Kersten-Pir (mogelijk Jeanne, Maastricht,1922-2015, lid F.A.B.K?)
J. Peeters, Horn
Br. F. Disseldorp (hoogstwaarschijnlijk gaat het hier om broeder Eugenio (Cornelis Petrus) Disseldorp, 1895-1984, vanaf 1955 in Maastricht wonende, zie Artindex)

Tot in 1987 behield de Limburgse Kunstkring de band met Slenaken. In dat jaar vindt er nog een zomerexpositie plaats in het dan al voormalige gemeentehuis.
Het is niet duidelijk of er ook tussen 1978 en 1987 nog exposities plaatsvonden in Slenaken.

1987


Bron: Delpher. Artikelen uit het Limburgs Dagblad.